Over Wim

Wim van der Kant,  is een autodidact kunstenaar. 
Geboren in 1949 te Kampen, tot en met de HBS(B) heeft hij daar de school doorlopen.
Na een valse start op de LH in Wageningen (‘67) en een jaar werk als tekenaar bij de afdeling Beplantingen van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (‘69) de opleiding handvaardigheid(B) gedaan aan de Akademie voor Beeldende Vorming in Amersfoort (‘70-‘75), met als hoofdvakken keramiek en ruimtelijk vormen.

Hoewel in mijn opleidingstijd realisme nogal besmet was, heb ik op den duur het figuratief werken niet kunnen laten. De eerste beelden in brons dateren van eind jaren ‘80.

Sedert het midden van de jaren ‘90 wordt het werk voornamelijk vertegenwoordigd door Galerie Utrecht (Oudegracht 338-340). Deze galerie is een bezoek waard. Ze hebben veel en goed realistisch werk. Deze agent zorgt ervoor dat het werk regelmatig geëxposeerd wordt, en ook verschijnt op beurzen als Kunst-RAI, HAF, Lineart etc.

De laatste jaren heb ik een deel van het werk in het onderwijs opgegeven om me meer te kunnen concentreren op het maken van beelden.

Ik heb geen andere herinnering aan mezelf dan als iemand met een intense behoefte vorm te geven aan dat wat me beweegt.
De oorsprong van het werk van de laatste decennia ligt ergens in m’n zevende levensjaar, toen ik op een buitenexpositie in mijn geboortestad tijdens de zondagse kerkgang plotseling oog in oog stond met Rodin’s ‘l’Age d’Arain’. Op dat moment openbaarde zich aan me: dàt wil ik.
Moeilijker dan dit weten is het vasthouden aan dit besluit geweest. Eigenlijk heb ik meer het gevoel dat door de jaren heen het besluit zich aan míj heeft vastgehouden.
Het milieu waarin ik opgroeide was niet direct ingesteld op het aanleren van onnutte vaardigheden als het maken van kunst. Zeker niet deze. De realistische afbeelding van de mens op deze manier vond er op z’n zachtst gezegd niet zoveel weerklank.
Zonder bewust te weten dat ik van m’n eigen doel afdwaalde ben ik de weg naar het geldverdienen ingeslagen. Nog een geluk dat er in die tijd zoiets als de opleiding in Amersfoort ontstond.

Toch heeft het zeker tot m’n vijfendertigste geduurd voor er zich iets van die oude behoefte onontkoombaar aan me begon op te dringen.
Als ik dingen maakte (en dat heb ik m’n hele leven gedaan), begonnen m’n handen een eigen leven te leiden. De eerste mensfiguren die in die tijd, voor ‘t eerst in twintig jaar, ontstaan zijn hebben zíj gemaakt, niet ik.
‘t Duurde ook toen nog wel een jaar voor ik begreep: dit wil ik eigenlijk zèlf. Het zat er al die tijd al in, en nu komt het eruit.

Al vanaf dat begin ben ik bezig geweest met een vrij strakke en gedetailleerde wijze van weergeven van de menselijke gestalte. Snel werd me duidelijk dat de manier waarop ik ‘t liefst vorm gaf aan ideeën ‘t best paste bij jonge mensen. En eenmaal op dat spoor, begon ik mijn eigen drijfveren te herkennen.
Ik had iets te vertellen ontdekte ik; ik wilde verhalen van het moment dat het kind z’n zelfstandigheid verwerft, begint te ontdekken buiten zichzelf, zich ontplooit en z’n afhankelijkheid aflegt.
Werk maken dat enkel toegankelijk is met een onbevangen geest. Niet voor hen die er een andere symboliek in willen leggen, en niet de moeite nemen die waarden tot zich te nemen die slechts zichtbaar zijn voor de beschouwer met een zuiver gemoed.

Dient zich de vraag aan: ‘ waarom jongens?’
Diezelfde vraag, met dezelfde intentie, gesteld aan een kunstenaar die diersculpturen maakt wordt door de meesten waarschijnlijk wèl gênant gevonden.
Het antwoord is eenvoudig: omdat ik er zelf een ben.
Langzamerhand denk ik dat ik bezig ben een aantal intense gevoelens en ervaringen uit m’n eigen jeugd om te zetten in beelden. Het ontdekken dat je dingen kùnt, zèlf. Het zien wat je eigen lichaam betekent als voertuig voor je ziel. Het besef dat de hele wereld voor je open ligt. In die zin heeft m’n werk meer te maken met padvinderij dan met erotiek.

Al werkend kwam ik er ook achter dat ik niet zoveel hèb met beelden van vrouwen die door mannen gemaakt zijn, noch omgekeerd. Dàt worden maar al te snel lustobjecten. Als me ergens een beeld opvalt door z’n zeggingskracht, is ‘t tien tegen een dat de maker hetzelfde geslacht heeft als het beeld.

Helaas mist de realistische beeldtaal objectiviteit. Ze is niet in staat de werkelijkheid op ondubbelzinnige wijze te beschrijven.
In nauw verband daarmee staan de bedenkingen tegen naaktheid. Het vraagt moed en openheid van de beschouwer om te willen zien dat het niet appelleert aan diens lustgevoelens, maar gebruikt wordt om een aspect van intense eerlijkheid te tonen.
Steeds meer probeer ik de nadruk te leggen op het ongerepte èn de vraag om respect daarvoor. Respect ook voor de eenzaamheid van de mens op momenten van werkelijk belang
Wie denkt dat het werk, doordat het figuratief is, (te) gemakkelijk toegankelijk is, moet zich eens afvragen wat er wèrkelijk verteld wordt.

Alle beelden worden gemaakt met een model. Verwacht echter nooit van mij namen of afbeeldingen daarvan. Dat is iets totaal anders dan de boodschap die de beelden hebben. Het zou de persoonlijke wereld van ‘t model schaden, èn de intentie van het beeld.
Het model is in deze zin slechts een technische bijkomstigheid.